1. Efter Skånska kriget

Bij de stroom in het bos zat een jongen, zo stil en vies als een bemoste kei, meer natuurgeest dan mens. Ingmar hield het paard dat zijn wagen trok in om te kijken wat hij in zijn schild voerde. Het joch waste zijn handen in het water, en leek te wachten tot Ingmar hem voorbij ging. Was hij hier soms wezen stropen? ‘Hé, jij daar!’

De jongen sprong overeind en zette zijn armen in zijn zij. Zijn handen verzopen in de ouderwetse, lange jas met wijde mouwen die zijn kniebroek compleet opslokte. Welke kleur zijn kousen ooit hadden gehad, kon Ingmar niet zeggen. Piekerig haar dat aan zijn staart ontsnapte, stak onder zijn verschoten cavaliershoed vandaan.

‘Wat?’

‘Zeg eens, is het nog lang naar de Verdalgaarde?’

De jongen bekeek Ingmars afgeladen wagen. ‘Vertel me alsjeblieft niet dat je van plan bent de oude hoeve te betrekken.’

‘Toch wel.’

‘Heb je de verhalen niet gehoord, of ben je niet goed bij je hoofd?’

Ingmar rechtte zijn rug op de bok van de kar. ‘Besef jij wel tegen wie je het hebt, snotneus?’

‘Tegen wie heb ik het?’

‘Een officier van Zijne Majesteit.’

De jongen nam zijn hoed af en sloeg zijn voddige jas achter zich uit in een op een haar na overdreven buiging. ‘Neem me niet kwalijk. Bent ú niet goed bij uw hoofd? Het lijkt daar misschien leeg, maar vergis je niet: het is al bewoond.’

‘Ik heb anders eerder deze week het contract getekend dat mij de enige pachter maakt.’

‘Het kleine volk onder de aarde heeft weinig op met papieren contracten.’ Het joch drukte zijn hoed terug op zijn hoofd keek hem uitdagend aan.

‘Wat doe je hier alleen in het bos?’

De jongen kwam dichterbij om de twee geitjes op de wagen onder hun kin te kriebelen. Ingmars hondje zette haar poten op de zijkant om ook aandacht te vragen. ‘Ik haat mensen. Net als jij, als je zo afgelegen gaat wonen.’

‘Ik haat mensen niet,’ zei Ingmar mild. ‘Ik heb jaren in het zuiden gevochten zodat de mensen hier in vrede kunnen leven.’

‘Goed, je haat alleen jezelf. Uzelf. Om het even.’

Ingmar snoof. Geen wonder dat dat joch op een doordeweekse dag aan zijn lot was overgelaten. De hele dag lanterfanten en onzin uitkramen, daar had geen leermeester tijd voor. Hij richtte zijn blik op het pad door het stille, drukkend warme woud. ‘Ik vind het zelf wel. Goedendag.’

‘Ja, dag,’ groette het joch, en mompelde iets dat klonk als God hebbe uw ziel.

Ingmar spoorde het paard aan. Na een korte weerstand van de koe die achter de wagen liep, zette de kar zich in beweging. Hij draaide zich om een waarschuwing te geven over stropen op zijn land, maar de jongen was nergens meer te bekennen.

*

Ingmar vloekte bij het zien van de verlaten Verdalhoeve, een ooit statige, uit bijna zwart hout opgetrokken boerderij. Het ingestorte dak en de kierende houten muren beloofden hem bergen werk. Had hij niet beter in de stad kunnen blijven om daar iets te huren?

Nee. Hij had zijn zinnen op gezet op een nieuw begin, en zolang hij voor de winter in ieder geval één kamer van het huis bewoonbaar kon maken, overleefde hij het wel. Maar in deze bende zou het een flinke tijd duren voor hij hier een vrouw het hof kon maken. Als vrouwen hem nog moesten, met dat poot. Stijf liet hij zich van de bok zakken. De slecht geheelde musketwond op zijn heup stak zodra zijn voeten de grond raakten.

In de schemering kon hij haar al bijna over het erf zien lopen, zijn toekomstige vrouw. Gekleed in ragfijn wit linnen als mistflarden. Hij kon hun kinderen horen lachen, en de metalen bellen van hun talrijke vee klingelen. Hij veegde zijn natte handen, waarvan de nagelriemen ondanks grondig wassen zwart zagen, af aan zijn broek. Vanaf de bosrand kwam een mistbank opzetten, één die hem vannacht een zeer been ging bezorgen. Goed dat hij alvast brandhout bij de haard had opgestapeld.

Op de eerste verdieping van het huis ontbraken op willekeurige plekken hele stukken binnenwand. Het overgebleven meubilair stond schots en scheef aan de kant geschoven, alsof degene die het hout had gestolen zonder enig plan aan de slag was gegaan. Hoeveel bomen moest hij kappen om dat allemaal te vervangen? Hij gooide een beschimmeld stromatras aan de kant en liet zijn handen over het hout van een groot bed glijden.

De trap kraakte onder zijn gewicht terwijl hij met de laatste bodemlatten naar beneden liep. Het hondje sprong met een grom op. Ingmar liep naar het raam om te kijken of er volk aankwam, of een eland het op zijn net aangelegde moestuin gemunt had. Het hondje staarde een verre hoek van de kamer in. Ze blafte onzeker.

‘Als je een rat ziet, mag je hem pakken,’ zei hij en streek over haar koppie. ‘Die hebben hier lang genoeg huisgehouden.’

Hij gooide een nieuw matras op het bed, gevuld met het droge, stoffige stro van de hooizolder in de stal, en damde het vuur in de haard in.

Ze stond naast zijn bed, zijn vrouw, gehuld in haar ragfijne hemd van mistflarden. Ingmar schoof op naar de koude kant van het bed en sloeg de dekens voor haar terug. Ze vleide zich naast hem neer. Hij probeerde zich op te richten om haar te kussen, maar een onzichtbare kracht hield hem tegen het matras. In een oogwenk zat ze bovenop hem en verzamelde de plooien van haar hemd om het over haar hoofd te trekken. Zijn mond droogde uit van verlangen.

‘Wat is je naam?’ vroeg hij haar.

Ze kromde haar holle rug, en onder haar hemd kwam een staart vandaan. Haar ogen vonden die van hem. ‘Vittra.’

Hij ontwaakte naar adem happend. Zijn hart bonkte en zijn bloed kookte. Dat joch. Dat joch uit het bos met zijn achterlijke praatjes.

*

2. Återoppbyggnad

De late zomerzon geselde Ingmar met haar stralen terwijl zijn zeis een pad door de wilde weide sneed. Het kruid prikte zijn voetzolen en blote onderbenen, en het linnen van zijn hemd raakte al snel verzadigd met zweet. Toch lachte hij. Als Fredrik, Gustav en Bengt er nog waren geweest, hadden ze hetzelfde gedaan. Genoten van een nieuwe dag. Een nieuw begin.

Tegen het middaguur verscheen er een kleine figuur aan de rand van de weide.

‘Hé officier,’ riep het joch uit het bos, ‘jij laat er geen gras over groeien.’

Ingmar leunde op zijn zeis. ‘Nee, als ik wacht tot de regen begint, hebben mijn beesten van de winter niets te vreten.’

Het joch knikte. ‘Ja, goed punt. Ik kwam even, eh…’

‘…kijken of het kleine volk me al een kopje kleiner heeft gemaakt?’

‘Niet waar! Ik – Ik zag onderweg hier naartoe rode bosbessen. Heb je een emmer?’

Ingmar speelde het spel mee door hem met een emmer het bos in te sturen en maaide verder tot het joch, scheefgetrokken door de volle emmer, weerom kwam. Samen passeerden ze de overwoekerde moestuin, waar Ingmar de vorige dag een aantal planten had ingegraven. Hij bleef kort staan. Het merendeel verschrompelde en verdorde.

‘Die had ik onderweg vochtiger moeten houden,’ zei hij.

‘Ja,’ zei de jongen, hoewel Ingmar vooral hoorde wat hij niet zei.

In de koele keuken van het huis goot hij een kom vol glanzende, rijpe bessen. Het joch staarde uit het raam naar de verwelkte planten in de moestuin. Zijn magere bekkie stond zorgelijk.

‘Ik warm wat grut voor je op,’ zei Ingmar. ‘Vanochtend teveel gemaakt.’

De eerste paar happen schrokte de jongen naar binnen. Naarmate hij meer verzadigd raakte, nam hij de lepel in een keurige greep en zat hij rechtop aan tafel.

‘Hoe heet je?’

‘Aud-’ Het joch verslikte zich bijna. ‘Audun.’

‘Hoe oud ben je?’

‘Twintig winters, zoiets.’ Zijn stem klonk laag en schor door onbruik, maar hij had de baard nog niet in de keel.

Twaalf, besloot Ingmar. Twaalf met een aan grootheidswaan grenzende fantasie.

‘Waren je ouders je praatjes zat, dat ze je op straat geschopt hebben?’

‘Ik ben hun praatjes zat. Vooral de praatjes die rechtstreeks uit dat ellendige boek komen.’ Hij knikte naar de Bijbel aan het hoofd van de tafel lag.

‘Domineeszoon,’ raadde Ingmar.

Audun liet zijn lepel in de lege kom kletteren en schoot overeind. ‘Je had dit beter vanavond buiten kunnen zetten, als zoenoffer voor de Vittra. En berg die zeis goed op. Ze houden niet van ijzer.’

Ingmar schudde meewarig zijn hoofd. Met de zeis over zijn schouder liep hij terug langs de kwijnende moestuin. De nazomer was geen seizoen om te verplanten, dat wist hij ook wel. Hij kon beter ploegen en zaaien, en hopen dat er volgend jaar goede gewassen de kop opstaken.

Hij maaide tot de laagstaande zon in zijn ogen prikte, en schudde het gras met een hooivork tot zijn zere rug, schouders en been hem naar binnen dwongen.

Na de avondmaaltijd controleerde hij het vee in de schuur langs het pad. Flarden van stemmen dreven langs toen hij de schuurdeur opende. Kinderstemmen, en de klingelende koeienbellen van een kudde vee. De eerste families in de omgeving brachten hun kuddes vast uit de heuvels naar beneden.

Ingmar liep de hoeken van de schuur na. De geiten sprongen speels op de kruiwagen en de kar. De koe lag voor de trog te herkauwen. Ingmar beklom de onderste paar sporten van de ladder om op de hooizolder te kijken. De kippen hadden zich naargelang hun hiërarchie op de hogere sporten genesteld.

Hij wenste de dieren goedenacht en trok zich terug in het huis. Bij het licht van een kaars opende hij de Bijbel van zijn vader, het enige erfstuk dat met hem de Schoonse oorlog had overleefd. Hij bladerde door de vergeelde, knisperende pagina’s naar zijn favoriete verhaal, over een kind in een mandje dat uitgroeide tot een rechtvaardig man die zijn volk van onderdrukking bevrijdde. Zijn ogen struikelden over de oubollige woorden en de soms onduidelijke letters. Toch kwam het verhaal voor zijn geestesoog tot leven, omdat hij wist wat er volgde. De waarschuwing, de weigering, de plagen. Ingmar hing zijn zondagse kleren uit voor de volgende dag.

Zijn vrouw stond in de deuropening op hem te wachten. Ze draaide zich om en gebood hem zonder woorden te volgen. De kleine vlam van de kaars in haar hand wierp grillig licht op de zwarte muren terwijl ze de trap nam zonder haar benen op te tillen. Ingmar volgde haar naar boven. Ze verdween om een hoek, de slaapkamer in. Daar zat ze, op bed, haar gezicht en bleke hals verlicht door de kleine globe van kaarslicht.

Ingmar naderde om bij haar in bed te kruipen, en zag te laat het gapende gat in de vloer. Hij viel dwars door de benedenverdieping, de kelder, en nog lager. Diep de aarde in, en aarde bedolf hem tot hij stikte.

*

3. Plågor

Zonlicht stroomde door de hoge kerkramen naar binnen. De ongenadig harde kerkbank kraakte elke keer dat Ingmar verzat. De musketwond klopte. Drie kilometer te paard had hem niet zo zwaar moeten vallen.

De dominee bromde afkeurend over het dansfeest dat de jeugd de avond ervoor had gehouden, waardoor er in meerdere families deze ochtend nakroost ontbrak. Zijn vrouw probeerde subtiel hun eigen dochters in het gareel te krijgen door blijmoedig en toegewijd het juiste voorbeeld te geven. Ingmar kon zien hoe de jongste achterstevoren over de bank hing en een gekke bek trok naar een oude weduwe, die haar lach verborg achter een zakdoek. De vier middelste dochters zakten in verschillende stadia van verveling onderuit, en de op één na oudste wierp wanneer ze kon smachtende blikken naar een puisterige slungel aan de andere kant van het gangpad. Terwijl de dominee voorlas uit Exodus hoofdstuk acht, bleef Ingmars blik hangen op de oudste dochter. Die zat stram als een militair en keek recht voor zich uit, een houding die een scherp contrast vormde met haar lichte, gebloemde jurk en het minuscule kanten kapje op haar opgestoken haar. Een serieuze jonge vrouw, stelde hij zich voor. Wellicht één die een sober, eerlijk bestaan met een hardwerkende man niet schuwde.

Hetzelfde verhaal dat hij de vorige avond had gelezen ging aan hem voorbij. Hij hoopte dat ze zich zou omdraaien, zodat hij haar gezicht kon zien. Ze had smalle schouders en een slanke hals, en als ze op haar zussen leek, had ze vast een aardig gezicht. Zou haar vader een man die op zaterdagavond binnen bleef en uit de Bijbel las, goedkeuren?

Ingmar hees zich met de rest van de gemeente overeind om een psalm te zingen en dwong zichzelf ondanks zijn trekkende wond rechtop te staan. Een van de middelste domineesdochters schalde overdreven de melodie, tot vermaak van de jongere zusjes, die proestten en giebelden. De oudste richtte tot Ingmars teleurstelling zelfs niet heel even haar blik opzij naar de anderen.

De dominee beklom de kansel en nam de tijd om zijn gemeente aan te kijken. ‘De uittocht uit Egypte is een overduidelijk teken van de almacht van de Heere, en zijn hulp aan hen die hem trouw zijn. Vandaag wil ik jullie een overdenking bieden van een onderbelicht thema in dit verhaal: je plaats kennen in deze wereld.’

Zijn blik bleef hangen op zijn vrouw en dochters op de eerste rij. De meisjes stootten elkaar plagerig aan, als om te zeggen: hij heeft het over jou. Moeder pakte de hand van de oudste, die nog altijd als een standbeeld zat. Wie was zij? Als Ingmar zich na de dienst aan de dominee voorstelde, zou hij dan een glimp van haar opvangen?

‘… farao is slechts een wereldlijk heerser zonder de steun van God, hoe rijk zijn bezittingen ook, en hoe zijn volk hem ook op handen draagt…’

Ingmars blik schoot richting de kansel. Dit ging niet meer over zijn dochters. Bespeurde hij daar een steek richting de vorst van hun grootmacht? Deed Karl soms niet genoeg om het ware geloof door Noord Europa te verspreiden?

‘… welke gave je ook geboren bent – macht, rijkdom, schoonheid, intellect – het betekent niets wanneer je die niet inzet ter meerdere eer en glorie van de Heere. Wij dienen in de eerste plaats de Heer onze God naar ons volle vermogen, en dan pas onszelf.’

Ach, Ingmar was klaar met strijden voor de koning. De zachte, korte krulletjes die uit het kapsel van de oudste domineesdochter ontsnapten, vroegen dringender zijn aandacht.

‘… een god van genade, maar ook een god van wraak. Ken je je plaats niet, en sla je zijn waarschuwingen in de wind, zal hij zijn plagen op je doen neerdalen.’

Tijdens de laatste hymne van de dienst ving Ingmar per ongeluk de blik van de jongste domineesdochter, die hem zag staren en een lange neus naar hem maakte. Ingmar stak zijn tong een heel klein stukje naar haar uit, zodat alleen zij het zag.

Tegen de tijd dat hij zich tegen de menigte in richting de kansel had bewogen om de dominee de hand te schudden, had moeders jammer genoeg alle dochters door een zijdeurtje naar buiten gewerkt. Slechts de impressie van wapperende rokken en ingehouden woede bleef.

*

Ingmar wenste dat hij, zoals voorgeschreven, de hele zondag als rustdag kon nemen. Maar helaas voor zijn schrijnende been moest het hooi opgeschud, de dieren gevoerd en gemolken, en de stallen uitgemest worden. En hij was nog niet eens aan reparaties in het huis toegekomen. God begreep vast waarom hij aan de slag ging. In tegenstelling tot hem, was Ingmar niet almachtig.

Moe, plakkerig en hongerig stommelde hij tegen zonsondergang het huis binnen. Een sterke lucht van schimmel en verrotting doordrong de keuken. Op zoek naar de bron van de lucht, trok hij de voorraadkast open. De zak graan krioelde van de graanklanders, het gerookte vlees rotte waar het hing, en Ingmar hoefde het brood dat hij die ochtend had gebakken niet uit de doek te halen om te weten dat het door en door beschimmeld was. Hij vloekte hartgrondig.

‘Het is niet God die je gaat verdoemen – maar hij gaat je ook niet helpen.’

Ingmar onderdrukte zijn schrikreactie en spon om zijn as. ‘Jij schuwt geen middelen om me hier weg te krijgen.’

Audun opende kwaad zijn mond. Hij hijgde te hard om meteen te spreken. Van waar was hij helemaal komen rennen?

‘Geef me een goede reden,’ zei Ingmar, ‘één die niet met onzichtbare wezens en heidens bijgeloof te maken heeft – en ik zal naar je luisteren.’

‘Denk je dat ik dit gedaan heb? Dat ik dit voor elkaar kan krijgen?’

‘Het komt je verdomd goed uit, is het niet? Is je familie soms wegens wanbetaling van dit land geschopt? Of ben je de enige overlevende van een ziekte die hier heeft huisgehouden? Vooruit, spreek de waarheid. Ik ben niet te beroerd om samen tot een oplossing te komen.’

’Ik spreek de waarheid! Je lijkt me een goed man en ik wil niet dat iets je overkomt. Hou op met zo verdomde koppig doen.’

‘Nee, jij moet ophouden met die streken,’ sprak Ingmar streng. ‘Ik weet niet wat je met mijn voorraad hebt gedaan en het kan me niet schelen. Je hebt tot morgenavond om het te vervangen.’

De jongen stampvoette eenmaal en beende het huis uit.

‘Ik meen het!’ riep Ingmar tegen zijn stramme rug.

*

Ergens tussen slaap en ontwaken dreven flarden muziek langs Ingmars hoofd. Hij verwelkomde het geluid van stemmen en vrolijkheid in de stilte. Iemand had een viool tevoorschijn gehaald, en voeten stampten ritmisch op de grond. Het laatste Deense schip verdween aan de horizon. Na dat afgrijselijke bloedbad van de slag om Lund twee jaar eerder, verdienden ze het om te vieren dat ze nog leefden.

Nee, de Deense aftocht voltrok zich een jaar geleden, besefte Ingmar vaag. Dit waren vast de jongeren uit de stad, die het bos in trokken om onder de strenge blik van de dominee uit te komen.

Hij wilde eigenlijk naar buiten om te zien of de oudste domineesdochter daar danste, maar zijn wond deed teveel zeer om te dansen, en hij was zo moe…

De lucht van dood en verderf hing zwaar onder het vuile witte canvas. Op een tafeltje naast Ingmar lag een tang met een vervormde musketkogel en repen linnen doordrenkt in zijn bloed. Bloed welde warm op uit de wond en verzadigde het verband en de deken die hem bedekte.

De geur van de dood doortrok ook langzaam zijn slaapkamer. Het bloeden hield niet op. Zijn vrouw kwam het raam openzetten. Hij moest haar een laatste keer aanschouwen voor hij stierf. Hij riep haar, en ze wendde zich tot hem. Ze had geen gezicht.

*

4. Kulning

De zon stond hoog aan de hemel toen Ingmar zijn paard en wagen vol hout het erf op stuurde. Als het hondje aan zijn voeten niet blaffend van de bok was gesprongen, had hij niet gemerkt dat er iemand bij de deur wegsloop.

‘Had je alweer een nieuwe streek in gedachten?’

Audun richtte zich met een rood, betrapt gezicht op.

‘Wat is dat?’ Ingmar wees naar de mand met eten op de drempel. ‘Een schuldbekentenis?’

‘Nee. Naastenliefde,’ snauwde het joch.

Zijn gezicht stond zo stuurs, dat Ingmar niet anders kon dan lachen. ‘Als je toch overloopt van naastenliefde, mag je me hier ook mee helpen. Mijn gereedschap ligt in de kist in de schuur.’

Audun aarzelde, maar besloot hem te helpen met het plaatsen van een plank op twee schragen, en drentelde met de duimstok achter hem aan door de halfvergane keuken. Hij bestudeerde vol spanning hoe Ingmar buiten de zaag op het hout zette.

‘Je kijkt alsof je voor het eerst een man met zijn handen ziet werken.’

‘Ik kijk gewoon! Wou je dat ik me omdraaide soms?’

‘Jij mag het ook doen.’ Ingmar hield de zaag naar hem uit.

Audun staarde naar de zaag en maakte zijn onderlip met het puntje van zijn tong nat.

‘Twintig winters en nog nooit een zaag vastgehouden?’ Ingmar wenkte hem. ‘Kom, ik leer het je.’

De zaag stuiterde alle kanten op over de lengte van het hout. Audun vloekte.

Ingmar legde zijn handen over die van Audun heen. ‘Een goede zaagsnede beginnen is niet het makkelijkste. Belangrijk is om precies de juiste druk te zetten bij die eerste beweging…’

Het hielp Audun een eindje op weg. De jongen moest meermaals stoppen om zijn verzuurde armspieren te ontlasten voor de plank door was.

‘Als je het genoeg doet, gaat het vanzelf beter,’ moedigde Ingmar hem aan.

Ze aten samen in de zon uit de mand.

‘Van wie heb je dit gejat? Je moeder?’

Audun zei niets.

‘Weet ze dat je hier bent?’

Audun stond op en schudde de rest van het eten uit de mand in Ingmars schoot. ‘Werk ze. Niet dat het zin heeft. En probeer te blijven leven, anders leer ik nooit met gereedschap omgaan.’

‘Ik zal niet zomaar stoppen met ademhalen, beloofd.’

Ingmar gaf het joch een kleine voorsprong voor hij hem rustig achterna liep. Audun keek niet achterom terwijl hij zich dieper het woud tussen de hoeve en het stadje in haastte. Ingmar volgde zijn sporen in het zandpad tot ze de in struiken verdwenen. De jongen had zich aan zijn zicht onttrokken.

Net toen Ingmar wilde omkeren naar de hoeve, ontwaarde hij iets ongewoons tussen de bomen. Meer dan een krot was het niet, en een goede tent gaf meer beschutting. Ingmar zag direct uit wat voor hout het was opgetrokken. Zo te zien stond het er al een flinke tijd.

‘Probeer je de hele boerderij hierheen te halen?’

Auduns stem klonk van binnenin. ‘Dat is het beste. Dat is het enige dat ze willen. Die boerderij staat op een Vittraplaats een blokkeert hun ondergrondse weg. Is een stukje opschuiven zoveel gevraagd?’

‘Ik denk dat je wel een idee hebt hoeveel dat gevraagd is, aan je pogingen te zien. Maar even serieus, Audun. Er is niemand op de boerderij, alleen ik.’

‘Niemand om je te helpen, ja. Denk je dat jij de eerste bent die ze eruit werken, op zijn laatste benen of tussen zes planken? En nu wegwezen.’

‘Waarom? Jij komt zo vaak bij mij over de vloer.’

‘Omdat… ik hier niet blijf! Ga weg!’

Ingmar stapte om de hut heen om de opening te zoeken. ‘Moet je op tijd thuis zijn om in de tobbe-’

Een schelle, spookachtige lokroep sneed door het woud. De melodie moduleerde tot een uitgerekt hoogtepunt en nam een sprong in de diepte. Een krachtige, heldere vrouwenstem riep haar vee bij zich. Ingmar draaide zich om in de richting van het geluid en spitste zijn oren. Zo’n stem hoorde bij een uitzonderlijke vrouw, dat kon niet anders. Ze klonk niet ver weg. Zou het kwaad kunnen om te kijken…?

Hij liep een paar passen bij de hut weg. Het zonlicht verdween achter een wolk. Met elke stap die hij zette, trok een plotselinge mistbank verder op, tot hij geen hand meer voor ogen zag. Gedesoriënteerd wendde hij zich tot waar hij dacht dat hij de hut had achtergelaten. ‘Audun?’

Een tweede lokroep echode door de mist. Ingmar probeerde zich op het geluid te richten, maar kon niet bepalen waar het vandaan kwam. Om hem heen ritselden de bladeren en bosgrond op een niet-bestaande bries.

Bij de derde lokroep trok de mist op. Ingmar rilde in de plotselinge warmte van de zonnestralen door het bladerdak. Hij naderde de hut. Audun was gevlogen. De voddige jas en afgetrapte schoenen lagen in een hoek. Was hij in zijn hemd gevlucht? Had hij geen mensenkleding nodig waar hij heenging? Nee, die gedachtegang was te onzinnig om te volgen.

Ingmar schudde de jas uit en hing hem aan een roestige nagel in het hout. Er viel iets uit. Iets dat Audun vergeten was mee te nemen.

Ingmar stak het voorzichtig in zijn zak. Dit moest hij goed bewaren.

Vanuit bed die avond wierp Ingmar een laatste blik op Auduns kleinood op tafel, verlicht door de gloeiende sintels van het haardvuur. Het vertelde hem meer over Audun dan hij misschien wel wilde weten. En wat betekende dit voor hem?

Peinzen hielp niet. Hij zou wel zien wat de morgen bracht.

De lokroep van zijn vrouw klonk door het glooiende landschap. Het geklingel van koeienbellen bewoog zich uit de heuvels naar beneden. Hij bereikte haar eerder dan de koeien en pakte haar bij haar middel om haar te kussen. Vlak voor zijn lippen de hare raakten, verdween ze als optrekkende mist. Het onzichtbare gelach om hem heen klonk als een kleine jongen.

*

5. Sår

Ingmar zocht in alle hoeken en gaten van de stal, kneep zichzelf, liep naar buiten, en terug naar binnen. Niet alle dieren waren verdwenen; het paard stond op de goede plek, en de kippen scharrelden door de lege ruimte. Maar de geitjes verstopten zich niet achter de schotten of in de wagen, en ook niet op zolder. En de koe – hoe kon een koe uit een gesloten stal verdwijnen, terwijl het paard er nog stond?

Audun. Audun moest hier vannacht zijn gekomen om zijn melkvee los te laten, zodat Ingmar in zijn oudewijvenpraatjes ging geloven en hem smeerde. Ingmar greep het paard en zadelde het op. Nu was die kleine kobold te ver gegaan.

Het paard slofte over het stoffige bospad. Ingmar draaide zich in het zadel en keek om zich heen. Aan de rand van zijn gehoor klonken de bellen van vee. Zijn vee, dat wist hij zeker. Maar hoe lang hij ook reed, in welke richting ook, hij kwam geen koe, geen losgeslagen geit tegen.

Zonder dat hij er erg in had, passeerde hij Auduns houten krot. Na enkele meters wendde hij het paard en reed terug. Op de grond bij de deuropening stond een kom met een bescheiden offerande van grutjes. Ingmar hield zijn paard in zodat die het bundeltje paarse zomerbloemen dat er naast lag niet vertrapte.

‘Audun!’ riep hij streng. ‘Wij moeten nodig praten.’

Er kwam niemand uit de hut. Ingmar steeg af en drong er binnen. De afgetrapte schoenen en jas waren verdwenen, en de rest van de hut overhoop gehaald. Op weg naar buiten bleef hij bij de offerande staan. Hij pakte de geurige bloemen op aan het lint dat ze bij elkaar bond. De oprechtheid die eruit sprak, raakte hem ergens.

‘Laat los, dat is niet voor jou!’ riep een overslaande stem.

Ingmar legde de bloemen terug. ‘Jou moest ik net hebben. Waar is mijn vee?’

‘Hebben ze je vee al meegenomen?’ Audun telde op zijn handen, als om iets uit te rekenen.

‘Speel geen spelletjes met me! Ik wil dit op een normale manier oplossen. Ik ga niet verkassen zodat jij je speeltuin terug hebt. Maar luister-’ Ingmar haalde hetgeen waarvoor Audun zijn hut overhoop gehaald had uit zijn zak. ‘Als je een plek voor jezelf nodig hebt, kan je bij mij in de kost. Ik zal geen vragen stellen.’

Audun keek hem verscheurd aan.

‘Welke moeilijkheden je ook hebt, thuis…’

Audun bevochtigde zijn onderlip met het puntje van zijn tong. Hij staarde naar het witte, kanten kapje alsof het een adder was. ‘Ik wil… Nee. Ik kan niet op de hoeve wonen. Het is een Vittra-plaats.’

‘Hou toch eens op! Ik behandel jou als een gelijke, doe nou niet alsof ik achterlijk ben!’

‘Er heeft nooit iemand langer dan een week gewoond!’ gilde Audun. ‘Luister naar wat ik zeg!’

‘Luister zelf naar wat je zegt! Onzichtbare wezens die echt vee stelen! Hoe dan?’

‘In de kerk zit je anders ook tot een onzichtbare entiteit te bidden!’

Ingmar liep om hem af en boog zich over hem heen. ‘Je denkt misschien dat je heel wat van de wereld hebt gezien, omdat je er tegen je vaders wil op uit gaat, maar je houdt jezelf voor de gek. Denk je echt dat je hier kunt wonen? Dat mensen op afstand blijven door je griezelverhalen? Jongenskleren beschermen je niet tegen je eigen onwetendheid en onkunde, Audun – of wat je echte naam ook is.’

Hij duwde Audun het kapje in handen en besteeg het paard.

‘Ze komen je halen, Ingmar! Of is dat soms wat je wilt? Dat ze het werk afmaken dat de Denen niet voor elkaar kregen? Denk je soms dat zelfmoord niet als zonde telt als je het een ander in de schoenen kan schuiven?’

Ingmar verzat in het zadel om zijn litteken te ontlasten. Het paard nam een aarzelende stap. Ingmar keek Audun lang en hard aan. ‘Jammer dat je vader je niet als zijn zoon wil zien. Je klinkt precies als hij.’

Hij spoorde het paard aan en liet Audun met boos glanzende ogen achter.

*

Ingmar zeeg op de rand van het bed neer en rustte zijn hoofd in zijn handen. Auduns woedende woorden kaatsten oneindig binnenin zijn schedel rond zonder aan kracht te verliezen. Hij moest eigenlijk het hooi binnenhalen voor het verdorde. Na uren in het zadel, zoekend naar zijn verloren vee, kon hij zich er niet toe zetten. En wat had het voor zin? Al het andere werk dat hij hier gedaan had, was voor niets wanneer hij niet zelfvoorzienend kon zijn. Hij had het merendeel van zijn soldij in deze onderneming geïnvesteerd, en geen plan om op terug te vallen. Niemand om hem te helpen.

Die Vittra moesten hem maar komen halen. Als ze het maar deden terwijl hij sliep.

De geur van de dood doortrok ook langzaam zijn slaapkamer. Zijn vrouw kwam het raam openzetten. Hij moest haar een laatste keer aanschouwen voor hij stierf. Hij riep haar, en ze wendde zich tot hem. Haar gezicht was niet het gezicht dat hij wilde zien.

Ze boog zich over hem en sloeg de dekens terug. Het bloeddoordrenkte verband kleefde aan zijn been. Ze scheurde het los, met stukken geronnen bloed, zwarte huid, en al. Angst kneep Ingmars keel dicht bij het zien van het gapende gat in zijn heup. Ze stak haar vinger diep naar binnen. Met haar lange nagel groef ze in de wond, en lachte.

Om haar heen verscheen een boosaardig lachende bende met vleeshaken aan touwen. Ze hadden de gezichten van de mannen die hij op het slachtveld had gedood.

*

6. Vittraställe

De stank van de dood bracht Ingmar kortstondig terug naar de hospitaaltent buiten Landskrona, tot hij besefte dat er nergens chirurgijns om assistentie riepen, en enige die hijgde van angst en pijn hijzelf was.

De hitte van zijn lichaam, dat gevangen zat onder de dekens, maakte hem beroerd. Hij bracht zijn handen omhoog om de dekens van zich af te duwen en zag dat kleine, paarse puntjes zich over zijn huid verspreidden. Het lukte hem niet om zich op te richten en de dekens verder te duwen dan zijn heupgewricht.

Hij durfde de wond eronder niet te bekijken. Durfde er niet eens aan te denken om het gloeiende, bonzende weefsel aan te raken. Hij kon slechts afwachten tot ze hem kwamen halen. De hel verwachtte hem, gevuld met heidense demonen en de geesten van alle mannen die door zijn hand om het leven waren gekomen. In de hoeken van de kamer hoorde hij hen al lachen.

Buiten lag een dikke laag sneeuw over de boerderij van opa en oma. Ingmars moeder zette lekkernijen voor later die avond op tafel, meegebracht uit de stad. Zijn opa riep Fredrik toe om zijn laarzen en jas te halen. Vader wenkte Gustav om hem te helpen met het paard en de wagen. De geur van warme grutten dreef langs Ingmars gezicht. Oma hield de hete kom met pannenlappen vast en knipoogde naar hem. Hij volgde haar de donkere, ijzige nacht in.

Op de drempel van de stal waar het melkvee sliep, zette ze de dampende kom neer voor het kleine volk. ‘Zo, Ingmar. Nu kunnen we naar de kerstviering. Vind je het spannend dat je zo laat mag opblijven?’

In de verte klingelden zacht de koeienbellen.

Het ochtendlicht veranderde in vroege middag. Ingmars huid brandde en zijn mond en keel verdroogden. De kan met water stond buiten zijn bereik. Was er maar iemand om zijn laatste uren te verlichten. Eén slok water, dat was alles dat hij…

‘Pas op!’ Bengts vrouw haalde de zware ketel vol kokend water van de haak boven de haard.

‘Ik doe niets,’ zei Ingmar vanaf zijn plek aan tafel, waar hij een boek las.

‘Ik had het niet tegen jou. Maar als je toch niets te doen hebt, ga dan je broer helpen in het veld. Volgens mij ben jij oud genoeg om een zeis vast te houden.’

Ingmar klapte het boek dicht en liep de koele keuken uit, de ochtendzon in. Op het erf liepen Bengt, zijn seizoenarbeiders, en de grote jongens uit hun familie rond. Iemand duwde hem een roestige zeis en een wetsteen in handen.

In een lange kolonne trokken ze naar het veld. Bengt maakte zich los uit de groep om tegen een boom te pissen voor het werk begon. Ingmar imiteerde hem.

‘Pas op!’ zei zijn broer.

‘Ik zou je vanaf hier niet kunnen raken, al zou ik het proberen,’ lachte Ingmar. ‘Zal ik het proberen?’

‘Ik had het niet tegen jou, opdondertje.’

‘Hoort in jezelf praten bij op het platteland wonen?’

‘Het is beleefd om rekening te houden met het kleine volk, weet je dat niet meer van vroeger?’

Het hondje, dat tegen zijn schouder opgekruld lag, sprong op en liet een laag gegrom horen. Haar nek- en rugharen rezen overeind en haar staartje vouwde zich tussen haar achterpoten. Zo bleef ze moedig staan.

Uit de heuvels kwam een kudde aangelopen, geleid door een jongen in een te grote, ouderwetse jas. Ingmar probeerde de dieren te tellen. Het leken er veel meer dan hij er van de lente de weiden in gestuurd had. De jongen passeerde hem met een zelfvoldane glimlach, en stal Ingmars hoed van zijn hoofd.

‘Ik zei toch dat het geen kwaad kon om een beetje rekening met ze te houden’

Ingmar legde een hand op zijn rug en liep met hem mee. ‘Het blijkt maar weer dat leeftijd niets zegt over wijsheid.’

Het namiddaglicht verdween langzaam achter de heuvels. Ingmar rilde van de kou. Zijn verstijfde vingers tastten naar de dekens. In de hoeken van de kamer hoorde hij gefluister en gelach. Waar wachtten ze op? Hij wierp een blik op het raam. Op het duister, wellicht.

Hij wilde niet dat Audun hem hier vond, wanneer die langskwam om meer hout te stelen voor zijn hut. Hij wilde niet sterven voor hij zich had verontschuldigd. Hij wilde niet dat Audun een leven zonder bondgenoot tegemoet ging…

Ingmar zag hen duidelijk staan in het schemerlicht. Ze hadden mensengezichten, maar de tanden en klauwen van roofdieren. Zijn hart bonkte van angst. Hij probeerde vergeefs overeind te komen. De vrouw die hem elke nacht in zijn slaap bezocht, probeerde hem met haar stem en haar lichaam te verleiden om alvast naar haar toe te komen.

Ingmar schudde vertwijfeld zijn hoofd. Hij wilde niet – niet eerder dan hij echt moest.

De deur klapte open. In een werveling van bloemen waaide er iets naar binnen en boog iemand zich beschermend over hem heen.

‘Dit kan ik niet toelaten,’ zei Audun beslist. ‘Jullie moeten me meer tijd geven.’

Ingmar wilde zijn naam zeggen; blijk geven aan zijn dankbaarheid dat Audun hem niet alleen liet sterven.

‘Waarom zouden we dat doen, Wisselkind?’ sprak de Vittravrouw.

‘Omwille van hoe ik me voor jullie heb ingezet.’

‘De afspraak was dat wij jou geven wat jij wilt wanneer jij onze woonplaats vrijmaakt. Maar er is zeven jaar voorbij gegaan, en het huis staat er nog. Het heeft zelfs een nieuwe bewoner.’

‘Geef me één dag. Nog één dag om hem te overtuigen het huis te verlaten.’ Auduns stem trilde slechts een klein beetje. ‘Alsjeblieft. Ik beloof het.’

De Vittravrouw blikte door het raam. ‘Jij hebt tot de zon werkelijk ondergaat om hem hier weg te krijgen.’

Paniek kroop Auduns stem binnen. ‘Ik weet niet hoe lang dat is!’

‘Haast je dan maar, Wisselkind.’

Audun pakte Ingmars gezicht. ‘Hé, kijk me eens aan. Je moet met me meekomen. Kan je staan?’

Ingmar deed zijn best om zich op Auduns gezicht te concentreren. Zijn ogen wilden niet scherpstellen, en zijn blik gleed weg.

Audun pakte hem bij zijn armen en probeerde hem met een enorme krachtsinspanning op te richten.

‘Als jullie nou eerst je belofte hadden vervuld,’ schreeuwde hij tegen de Vittra en sjorde vergeefs aan Ingmars schouders, ‘dan had alles een stuk makkelijker gegaan!’

‘En welke reden had jij dan gehad om ons te helpen?’

‘Belofte maakt schuld, dat is voor mij een reden. Ik ben een man van mijn woord!’

‘Verdoe je tijd niet met praten, Wisselkind. De zon zakt. Als het duister valt, is hij van ons.’

Audun stond op van het bed, spon zoekend in het rond, en verdween. Een moment later – of was het langer? De zon zakte snel – galoppeerde er een paard langs het raam.

De Vittra hielden Ingmar in stilte gezelschap, net als de pijn. Kon hij volhouden tot Audun terugkwam? Audun zou terugkomen, toch? Ook na alles dat Ingmar de vorige dag tegen hem had gezegd?

‘Jongenskleren beschermen je niet tegen je eigen onwetendheid en onkunde, Audun.’ Ingmar had al spijt voor de woorden goed en wel zijn mond verlieten. Er was niets in de wereld de moeite waard om te zeggen wanneer het resulteerde in zo’n gekwetste blik. Hij zou op zijn knieën om vergeving moeten vragen, zijn ongelijk toegeven, en zich openstellen voor de mogelijkheid dat, heel misschien, de wereld hier anders in elkaar zat dan hoe hij die kende.

De laatste zonnestralen verdwenen achter de heuvels. Ergens aan de rand van Ingmars bewustzijn sleepte er een vleeshaak aan een touw over de vloer. De Vittra lachten hun scherpe tanden bloot.

De zware hoefslagen van werkpaarden roffelden op het erf. Ingmar probeerde zijn hoofd genoeg te draaien om de deur te zien toen die open vloog.

‘Daar,’ wees Audun. ‘Help me hem naar buiten te krijgen!’

Ingmars hoofd knikte naar voren zodra twee paar armen hem overeind sleurden. Audun hield de dekens van de grond terwijl een stel lange jongens Ingmar van zijn bed tilden. De frisse nachtlucht drong zijn longen binnen. Een puisterige slungel hees hem op het wagenbed van zijn kar. De eerste avondsterren knipperden boven Ingmars hoofd.

Jonge meisjes gooiden zijn bezittingen met handenvol in de wagen.

‘De kippen ook?’ vroeg er één voor de vorm, vlak voor vleugels Ingmar in zijn gezicht sloegen en de kippen verontwaardigd kakelend een plek zochten.

‘Schiet op,’ zei Audun dringend. ‘Elk moment telt.’

De wagen zette zich schuddend in gang. Iemand legde Ingmars hoofd in haar schoot. Op de gebloemde rokken lag hij zacht.

Ingmar merkte nauwelijks dat hij van de wagen getild en een trap op gedragen werd. Hij verzonk in iets zachts, en de geluiden om hem heen verdwenen voor even. Een koele hand streelde zijn voorhoofd.

‘Vader, alstublieft, hij heeft een dokter nodig.’

‘We zullen voor hem bidden, Aud. Als de Heere wil-’

‘Als we de dokter niet halen, redt hij het niet!’

‘Je hebt je vandaag op elke mogelijke manier aan mijn gezag onttrokken, en nu verwacht je van míj dat ik zomaar-’

‘Papa, luister nou! Ik-’

‘Ik ben heel benieuwd waarmee je dit keer denkt mijn besluit te kunnen beïnvloeden.’

Aud doorbrak de pregnante stilte na een lang moment. ‘U zegt me al jaren dat ik een man moet kiezen, toch? Als hij de nacht doorkomt, mag u hem mijn hand b-’

De dominee wachtte niet tot zijn dochter uitgesproken was. ‘Ulrike! Laat een dokter halen!’

*

7. Enlighet

Pas nadat de dokter de wond heropende en een aangedaan stuk weefsel wegsneed, voelde Ingmar de invloed van de Vittra genoeg wegebben om geholpen door een tinctuur van laudanum in een droomloze slaap te kunnen zakken. Tegen de ochtend schrok hij op. Geen hellevuur, geen demonen met scherpe tanden en klauwen omringden hem – slechts een schoon bed en zeven knikkebollende meisjes gedrapeerd over een bankje.

Ingmar opende zijn mond om te praten. Er kwam slechts gekras uit. ‘Aud… Audun?’

Auds ogen vlogen open. Binnen een oogwenk zat ze op de rand van het bed. ‘Ja?’

‘Heb je water voor me?’

Aud wekte de zusjes, en nadat ze zich er stuk voor stuk van verzekerd hadden dat Ingmar leefde, verlieten ze de kamer. Alleen de jongste kwam terug met een kan water. Aud wachtte met spreken tot ook zij verdween. ‘Scheelde weinig.’

‘Het spijt me dat ik het erop aan liet komen. Ik had je niet moeten wantrouwen.’

De stilte hing ongemakkelijk tussen hen in. Iemand had Auds haar bijgeknipt sinds hun eerste ontmoeting, zag Ingmar. Het hing nu redelijk recht tot haar schouders.

Na een slok water schraapte Ingmar zijn keel. ‘Ik hoorde wat je vannacht tegen je vader zei. Wat wil je dat ik zeg als hij een huwelijk voorstelt?’

Aud sloeg haar ogen neer. ‘Wat wil jij zeggen?’

Ingmar richtte zich zo goed hij kon op. ‘Niets waardoor ik de rest van m’n leven met een hoopje ellende opgescheept zit.’

Aud verzonk in gepeins. ‘Een paar dagen terug zei je dat je me in de kost kon nemen. Dat je geen vragen zou stellen…’

‘Als we trouwen, ga ik wel vragen stellen.’

‘Als we trouwen, ga ik niet binnen zitten en je kousen stoppen. Dan weet je dat alvast. En ik pik je kleding.’

Ingmar glimlachte flauw. ‘Als jij liever mannenwerk doet, heb ik meer tijd om kousen te stoppen.’ Hij volgde Auds gespannen blik uit het raam, waar de kerk een schaduw wierp over de binnenplaats. ‘Het wordt niet eenvoudig om een nieuw stuk land vrij te maken voor een huis.’

Aud knikte.

‘En als we het voor de winter af willen hebben, wordt het een stuk kleiner dan het nu is.’

‘Ik heb niet veel nodig.’

‘En de Vittra? Wat hebben zij je beloofd?’

‘Ik denk eigenlijk niet dat ze me kunnen geven wat ze me beloofd hebben. Maar ze zullen me op hun manier terugbetalen.’

*

Aud sprong van de bok van de wagen, tondeldoos in de hand. Ingmar keek met een knoop in zijn maag hoe Aud haar rokken opschortte en neerhurkte bij de voordeur. Met wat vers gemaaid hooi tussen het aanmaakhout laaiden de vlammen in razend tempo op om het voorportaal van het vervallen huis te verteren.

Aud keek achterom en lachte zoals iedere twaalfjarige jongen ter wereld lachte wanneer er iets in vlammen opging. Ingmar ging verzitten om zijn strak verbonden wond te ontzien en glimlachte terug. Terwijl het vuur zich uitbreidde over het hele huis, klom Aud bij hem op de bok.

‘Ik weet niets van je,’ zei Ingmar.

‘Ik heb je genoeg verteld. Jij nam het alleen niet van me aan.’

‘Ik neem genoeg van je aan om je mijn huis in de fik te laten steken.’

Het inferno van droog, oud hout schroeide hun gezichten. Ingmar liet het paard achteruit lopen tot ze op een veiliger afstand stonden. Met een luid geknap en geraas stortte het dak van het huis in. Tegen de schemerende lucht dansten de vlammen als vreugdevolle natuurgeesten over de ruïne.

Twee kleine handen omvatten de zijne. De knoop in zijn maag maakte zich langzaam los.

Nog voor Ingmar de bellen hoorde, keek Aud al om. Vanaf de mistige bosrand kwamen zeven koeien aangekuierd, gevolgd door zeven geiten. Aud kneep in Ingmars hand, en liet zich van de wagen zakken om de staldeur te openen.